Home
Vragen & opmerkingen
BoaBaan gezocht!
Vacature
Agenda
Cursus & Opleiding
PolitieDierenMilieu
Politie
Openbaar Vervoer
Milieu
Leerplicht
Flora & Fauna
Drank & Horeca
Cameratoezicht
Boa
Beveiliging
Parkeren
Veiligheid
Boa-documenten
Boa-regelgeving
Geweldsbevoegheden
Artikel 142 WvSv
Art.3a Wwm
Besluit boa
Uniformkleding
Achtergrondinfo
Adressen
Woordenboek
Afkortingen
Contactformulier
Links
Wie zijn wij

Circulaire: Toekenning politiebevoegdheden en geweldsmiddelen aan buitengewoon opsporings-ambtenaren

 

Onderwerp: toekenning van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen aan

buitengewoon opsporingsambtenaren

Bijzonderheden: vervangt de circulaire van 26 mei 2003, kenmerk 5228035/503

Juridische achtergrond: art. 142 van het Wetboek van Strafvordering, de Wet

wapens en munitie, art. 8, zevende lid, van de Politiewet 1993 en het Besluit

buitengewoon opsporingsambtenaar

Geldig van/tot: 1 januari 2006 tot en met 1 januari 2010

Datum: 23 november 2005

Kenmerk: 5387601/505/CBK

Onderdeel: Bureau JBA

 

1. Samenvatting

 

Tijdens het uitoefenen van zijn opsporingsbevoegdheden is de buitengewoon

opsporingsambtenaar gehouden aan de regels van het Wetboek van Strafvordering en het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar

(BBO). Indien hem de bevoegdheid is verleend om geweld te

gebruiken en/of de veiligheidsfouillering toe te passen dan wel aan hem

geweldsmiddelen zijn toegekend, dient hij zich tevens te gedragen overeenkomstig de regels van de Politiewet 1993, de Wet wapens en munitie alsmede de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna te noemen: Ambtsinstructie). Aan de toekenning van voornoemde bevoegdheden en geweldsmiddelen zijn voorwaarden verbonden. Deze voorwaarden worden in de onderhavige circulaire beschreven.

 

2. Inleiding

 

In mijn circulaire van 26 mei 2003, kenmerk 5228035/503, heb ik de criteria

inzake de toekenning van politiebevoegdheden en geweldsmiddelen aan

buitengewoon opsporingsambtenaren nader uiteen gezet. In de afgelopen twee jaar heeft zich een aantal wijzigingen voorgedaan. In de eerste plaats is voor de buitengewoon opsporingsambtenaren de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Buitengewoon opsporingsambtenaar(RTGB) van kracht geworden. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om, onder voorwaarden, aan buitengewoon opsporingsambtenaren pepperspray toe tekennen. Gelet op deze wijzigingen acht ik het aangewezen de circulaire van 26 mei 2003 integraal te herzien. Uitgangspunt bij de toekenning van buitengewone

opsporingsbevoegdheid is dat opsporing in beginsel een overheidstaak

is. Dit impliceert dat het gebruik van politiebevoegdheden en gewelds-middelen bij uitstek is voorbehouden aan overheidsfunctionarissen. Op dit

uitgangspunt wordt een aantal uitzonderingen gemaakt:

apv-controleur en parkeercontroleur:

In het Veiligheidsprogramma ‘Naar een veiliger samenleving’ (Kamerstukken II, 2002–2003, 28684, nr. 1) is aangegeven

dat, in afwachting van de besluitvorming over de bestuurlijke boete, gemeenten onder voorwaarden particuliere functionarissen kunnen inzetten voor boa-taken op het gebied van de ‘kleine ergernissen’. De voorwaarden waaronder deze inhuur mogelijk is, staan verwoord in mijn Circulaire functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar van 8 december 2004, kenmerk 5324449/504. Opgemerkt zij, dat deze particuliere functionarissen alleen politiebevoegdheden kunnen krijgen, zonder geweldsmiddelen.

Functies betreffende de uitoefening van specifieke en beperkte taken waarmee een zwaarwegend maatschappelijk belang is gemoeid. Hierbij kan gedacht worden aan flora- en faunabeheerders, die reeds van oudsher in dienst zijn vaneen particuliere werkgever of gevallen waarbij als uitvloeisel van privatiseringsoperaties specifieke opsporingsbevoegdheden zijn overgeheveld van de publieke naar de private sector.

Buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst van een private rechtspersoon, mits de aandelen van deze private rechtspersoon voor 100% in handen zijn van een overheidsinstantie.

 

3. Toekenning van politiebevoegdheden

 

De ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak is bevoegd onder voorwaarden geweld te gebruiken en onderzoek aan de kleding van personen te verrichten (artikel 8, leden 1 en 3, van de Politiewet 1993). Op grond van artikel 8, zevende lid, van de Politiewet 1993 kunnen aan een buitengewoon opsporingsambtenaar deze zogenaamde politiebevoegdheden door mij worden toegekend. De buitengewoon opsporingsambtenaar beschikt, tenzij deze op grond van de Circulaire functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar kunnen worden

toegekend of op grond van een categoriale beschikking zijn toegekend, in beginsel niet over politiebevoegdheden. Indien politiebevoegdheden zijn toegekend beschikt de buitengewoon opsporingsambtenaar daarmee over dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als de ambtenaar van politie, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, voor wat betreft het aanwenden van geweld, het melden van het gebruik van geweld en het toepassen van de veiligheidsfouillering. Indien aan de buitengewoon

opsporingsambtenaar geen politiebevoegdheden zijn toegekend, mag deze

geen geweld toepassen. Wel mag hij net als iedere burger aanhouden op heterdaad en daarbij gepast geweld gebruiken. Bij de aanvraag van politie- bevoegdheden zal de noodzaak duidelijk moeten worden aangetoond. Onderstaand worden de criteria voor de toekenning van politie-bevoegdheden beschreven.

 

3.1. Gebruik van geweld

 

Onder geweld wordt verstaan: elke dwangmatige kracht van meer dan

geringe betekenis uitgeoefend op personen of zaken (artikel 1 van de Ambtsinstructie). Onder het aanwenden van geweld wordt verstaan: het gebruiken van geweld en het dreigen met geweld (artikel 1, derde

lid, onder b en c, van de Ambtsinstructie). Het slechts vastpakken van een

verdachte valt niet onder het aanwenden van geweld. Het duwen in een bepaalde richting of het met kracht tegenhouden van een verdachte valt wel onder het aanwenden van geweld. De geweldsbevoegdheid wordt gerelateerd

aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid. Voor de toekenning van de geweldsbevoegdheid van artikel 8, eerste lid, van de Politiewet 1993, gelden de volgende criteria:

de buitengewoon opsporingsambtenaar moet zelf verdachten aanhouden en

overbrengen naar een plaats van verhoor;

er is geen beroep op de politie mogelijk;

de bevoegdheid tot het gebruik van geweld staat in verhouding tot de toe te

kennen dan wel toegekende opsporingsbevoegdheid.

De geweldsbevoegdheid mag eerst worden uitgeoefend indien de buitengewoon opsporingsambtenaar heeft voldaan aan de bekwaam-heidseisen als gesteld in de RTGB.

 

3.2. Veiligheidsfouillering

 

Op grond van artikel 8, derde lid, van de Politiewet 1993 is een politieambtenaar bevoegd tot het onderzoek aan de kleding

van personen bij de uitoefening van een hem wettelijk toegekende

bevoegdheid of bij een handeling ter uitvoering van de politietaak, indien uit

feiten of omstandigheden blijkt dat een onmiddellijk gevaar dreigt voor hun

leven of veiligheid, die van de ambtenaar zelf of van derden en dit onderzoek

noodzakelijk is ter afwending van dit gevaar. De veiligheidsfouillering bestaat

uit het met de hand aftasten van de kleding van de betrokkene. Het gaat daarbij om het zoeken naar gevaarlijke voorwerpen. De bevoegdheid om de veiligheidsfouillering toe te passen wordt, evenals de geweldsbevoegdheid, gerelateerd aan de toe te kennen of toegekende opsporingsbevoegdheid.

Voor de toekenning van de bevoegdheid ex artikel 8, derde lid, van de Politiewet 1993, gelden dezelfde criteria als voor toekenning van de

geweldsbevoegdheid:

de buitengewoon opsporingsambtenaar moet zelf verdachten aanhouden en

overbrengen naar een plaats van verhoor;

er is geen beroep op de politie mogelijk;

de bevoegdheid tot het toepassen van de veiligheidsfouillering staat in verhouding tot de toe te kennen dan wel toegekende opsporings-bevoegdheid.

De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik dient te worden gemaakt, is

nader geregeld in de artikelen 20 en 21 van de Ambtsinstructie.

De veiligheidsfouillering mag eerst worden toegepast indien de buitengewoon opsporingsambtenaar heeft voldaan aan

de bekwaamheidseisen als gesteld in de RTGB.

 

4. Toekenning van geweldsmiddelen

 

De buitengewoon opsporingsambtenaar beschikt, tenzij deze op grond van de Circulaire functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar kunnen worden toegekend of op grond van een categoriale beschikking zijn toegekend, in beginsel niet over geweldsmiddelen.

Aan de buitengewoon opsporingsambtenaar kunnen de volgende geweldsmiddelen worden toegekend: de handboeien, de wapenstok, de pepperspray, het vuurwapen en de surveillancehond.

Handboeien zijn volgens de Bewapeningsregeling politie en de Wet wapens

en munitie (WWM) geen geweldsmiddel, maar worden in de RTGB wel als

geweldsmiddel beschouwd.

Voor de toekenning van handboeien aan buitengewoon opsporings-ambtenaren worden derhalve dezelfde criteria gehanteerd als voor de toekenning van de overige geweldsmiddelen. Het toepassen van geweld met gebruik van een geweldsmiddel is een bevoegdheid die in beginsel alleen toekomt aan de gewapende macht van de overheid (de krijgsmacht) en de politie. Derhalve worden slechts in uitzonderlijke gevallen geweldsmiddelen aan anderen toegekend. Mede vanuit de doelstelling van de WWM wordt een restrictief beleid gehanteerd, verwoord in het

 

Het toekennen van geweldsmiddelen

aan een buitengewoon opsporingsambtenaar

geschiedt slechts indien de noodzaak

hiertoe door de aanvrager aangetoond

is en indien zijn bekwaamheid in

de omgang met het betreffende wapen is

aangetoond (zie ook art. 5, eerste lid,

Regeling wapens en munitie, RWM).

Het toekennen van de geweldsmiddelen

wordt tevens afhankelijk gesteld van de

in redelijkheid te verwachten kans dat

de buitengewoon opsporingsambtenaar

bij de vervulling van zijn functie met

geweld of dreiging met geweld wordt

geconfronteerd. In mijn circulaire Functielijst

buitengewoon opsporingsambtenaar

is per functiecategorie de maximaal

toe te kennen bewapening vastgesteld.

Het formele kader voor de toekenning

van de bevoegdheid tot het dragen en

gebruiken van geweldsmiddelen aan

buitengewoon opsporingsambtenaren

wordt bepaald door de WWM en de

RWM. Ten aanzien van de buitengewoon

opsporingsambtenaren, tevens

zijnde ambtenaren van politie (politieboa

is niet de RWM van toepassing,

maar de Bewapeningsregeling politie.

Het toekennen van wapenstok, pepperspray

en vuurwapen aan politieboa

geschiedt door de Minister van Binnenlandse

Zaken en Koninkrijksrelaties en

mij gezamenlijk (art. 3 Bewapeningsregeling

politie) en valt buiten de reikwijdte

van deze circulaire. De bevoegdheid

tot het gebruik van handboeien kan wel

door mij worden toegekend. De criteria

voor toekenning van geweldsmiddelen

worden hieronder beschreven.

Elke aanvraag tot het toekennen van

geweldsmiddelen wordt afzonderlijk

beoordeeld aan de hand van de volgende

criteria:

Voor welke soort wetsovertreding(en)

is de opsporingsbevoegdheid verleend?

Bij het handhaven van artikelen uit het

Wetboek van Strafrecht kan het gebruik

van een geweldsmiddel meer proportioneel

zijn dan bijvoorbeeld bij het handhaven

van het ordeningsrecht.

Wat is de aard van de te verwachten

agressie?

Toekenning van een geweldsmiddel kan

ge

is dat de buitengewoon opsporingsambtenaar

daadwerkelijk te maken krijgt

met fysiek geweld, in tegenstelling tot

situaties waarbij de te verwachten agressie

louter verbaal van aard is.

Over welke geweldsmiddelen kan de

buitengewoon opsporingsambtenaar op

basis van zijn taakstelling beschikken?

Indien het bezwaarlijk of onmogelijk is

om op een andere wijze te voorzien in

de veiligheid van de buitengewoon

opsporingsambtenaar, kan hem een

geweldsmiddel worden toegekend.

In welke frequentie en mate hebben

zich in het verleden situaties voorgedaan

a.

b.

c.

d.

waarbij bewapening wenselijk was

geweest?

Indien sprake is van toename van het

aantal gevallen dat de buitengewoon

opsporingsambtenaar met geweld wordt

geconfronteerd waarbij de aanwezigheid

van enig geweldsmiddel wenselijk zou

zijn geweest, kan een geweldsmiddel

worden toegekend.

Indien de beantwoording van bovenstaande

vragen nog onvoldoende duidelijkheid

geeft over de aanwezigheid van

de noodzaak, kunnen aanvullende vragen

naar de (on)mogelijkheid van

politieassistentie en de aandacht bij de

scholing van buitengewoon opsporingsambtenaren

voor het onderwerp sociale

vaardigheden nog een nadere indicatie

geven. Indien zich vaak situaties voordoen

waarin het aanwenden van sociale

vaardigheden en geweldsbeheersingstechnieken

niet (meer) afdoende zijn,

kan er aanleiding zijn voor het toekennen

van geweldsmiddelen.

 

4.1. Handboeien

 

Een buitengewoon opsporingsambtenaar

kan worden aangewezen om handboeien

te gebruiken (art. 37, tweede lid, van de

Ambtsinstructie). Bij de beslissing

omtrent het al dan niet toekennen, gelden

de criteria a. tot en met d. zoals

hiervoor beschreven.

De toekenning van de bevoegdheid om

handboeien te gebruiken is in sterke

mate afhankelijk van de in redelijkheid

te verwachten kans dat de buitengewoon

opsporingsambtenaar bij de vervulling

van zijn functie met (dreiging met)

geweld wordt geconfronteerd.

Het gebruik van de handboeien is uitsluitend

toegestaan indien de buitengewoon

opsporingsambtenaar heeft voldaan aan

de bekwaamheidseisen als gesteld in de

RTGB.

Het dragen van handboeien door een

buitengewoon opsporingsambtenaar op

het moment dat aan hem niet de

bevoegdheid tot het gebruik van de

handboeien is toegekend, is niet toegestaan.

Hoewel het slechts dragen van

handboeien niet wettelijk is verboden,

acht ik het niet gewenst dat buitengewoon

opsporingsambtenaren aan wie

niet de bevoegdheid is toegekend de

handboeien daadwerkelijk te gebruiken,

deze zichtbaar dragen. Het zichtbaar

dragen van handboeien kan enerzijds

gezien worden als

het kader van de taakuitoefening, anderzijds

kan het dragen van handboeien

leiden tot het actieve onbevoegde

gebruik ervan.

 

4.2. Wapenstok

 

Een buitengewoon opsporingsambtenaar

kan worden uitgerust met een wapenstok.

Bij de toekenning gelden de criteria

a. tot en met d. zoals hiervoor

beschreven. Evenals bij de toekenning

van de handboeien is ook de toekenning

 

Uit: Staatscourant 20 januari 2006, nr. 15 / pag. 14 2

 

van de bevoegdheid om een wapenstok

te gebruiken in sterke mate afhankelijk

van de in redelijkheid te verwachten

kans dat de buitengewoon opsporingsambtenaar

bij de vervulling van zijn

functie met (bedreiging met) geweld

wordt geconfronteerd.

Het gebruik van de wapenstok is uitsluitend

toegestaan indien de buitengewoon

opsporingsambtenaar heeft voldaan aan

de bekwaamheidseisen als gesteld in de

RTGB.

 

4.3. Pepperspray

 

Bij besluit van 19 februari 2005 (Stb.

2005, 110) is de Ambtsinstructie gewijzigd.

Deze wijziging houdt onder meer

in dat het mogelijk is buitengewoon

opsporingsambtenaren met pepperspray

uit te rusten. Bij de toekenning gelden

de criteria a. tot en met d. zoals hiervoor

beschreven. Daarnaast geldend de volgende

criteria:

De buitengewoon opsporingsambtenaar

dient vuurwapendragend te zijn of,

indien hij dit niet is, moet in de Circulaire

functielijst buitengewoon opsporingsambtenaar

dan wel in een categoriale

beschikking zijn opgenomen dat de buitengewoon

opsporingsambtenaar in

aanmerking kan komen voor een vuurwapen

(bijvoorbeeld de flora- en faunabeheerders,

de politieboa en de FIODECD).

Het is, bezwaarlijk of onmogelijk om

een beroep te doen op de reguliere politie;

Het is bezwaarlijk of onmogelijk om

op een andere, minder ingrijpende wijze

in de beveiliging van de betrokkene te

voorzien.

Artikel 5a van de Uitrustingsregeling

politie 1994 is van overeenkomstige

toepassing op de buitengewoon opsporingsambtenaren.

 

Nazorg

 

De toelichting bij de artikelen 12a, tweede

lid, 12b en 12c van de Ambtsinstructie

bepaalt dat na gebruik van de

pepperspray de opsporingsambtenaar

verantwoordelijk is voor het verlenen

van adequate nazorg. In artikel 5a van

de Uitrustingsregeling politie 1994 is

een bepaling opgenomen dat de met

pepperspray bewapende ambtenaren

dienen te beschikken over de voorgeschreven

middelen voor het kunnen

verlenen van een adequate nazorg. Dit

nazorgprotocol is van overeenkomstige

toepassing op buitengewoon opsporingsambtenaren

die beschikken over pepperspray.

De Minister van Binnenlandse

Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in de

Circulaire Landelijke invoering van het

geweldsmiddel pepperspray nadere

voorschriften gegeven ter zake de

nazorg bij het gebruik van pepperspray.

In deze circulaire worden de nadere

voorschriften als volgt omschreven.

 

 

In deze voorschriften wordt een onderscheid

gemaakt tussen gewone nazorg

en nazorg bij het optreden van medische

noodsituaties. De politieambtenaar die

pepperspray heeft gebruikt verricht de

gewone nazorg. De nazorg bij het optreden

van medische noodsituaties wordt

verricht door medisch geschoold personeel.

Deze voorschriften zijn toegesneden

op een situatie waarbij tegen een

verdachte pepperspray wordt gebruikt.

Indien van toepassing wordt dezelfde

nazorg zo mogelijk eveneens verleend

aan collega-ambtenaren en aan omstanders

die met het middel in aanraking

komen.

De nazorg vindt plaats door middel van

toepassing van de nazorgmiddelen, dat

wil zeggen middelen bestemd voor deze

nazorg, van een door de Minister van

Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

in het kader van een Europese

aanbestedingsprocedure geselecteerd

merk en type alsmede door het gebruik

van oogdouches.

Tot het moment dat de aanbestedingsprocedure

geheel is afgerond worden de

nazorgmiddelen gebruikt welke ten

behoeve van de pilot zijn aangeschaft.

De normale symptomen optredend na

gebruik van pepperspray

De ogen. De effecten op de ogen

bestaan uit een hevige tranenstroom

gepaard gaande met het reflexmatig sluiten

van de ogen. De ogen zijn gedurende

enige tijd niet meer te openen.

De huid. Na gebruik van pepperspray

treedt bij de betrokken persoon heftige

pijn en een sterk branderig gevoel op de

getroffen huid op. De pijn verdwijnt

meestal na plusminus 60 minuten.

Luchtwegen. Door het middel kan kortdurende

kortademigheid worden veroorzaakt.

Er kan slijmafscheiding in neus

en keelholte ontstaan. Daarnaast kunnen

heftige hoestbuien optreden.

Soms treedt tijdelijk luchtwegvernauwing

op waardoor de diepe ademhaling

wordt bemoeilijkt.

Motoriek. Het middel kan tot verlies van

controle over de motoriek leiden.

Reflexmatig buigt men voorover. Gevoelens

van paniek en desori

daarbij kenmerkend.

De gewone nazorg

Door de pijn die het middel veroorzaakt

zullen bij de getroffen personen dikwijls

gevoelens van paniek optreden. Om die

reden dient de betrokkene op zijn gemak

gesteld te worden. Uitgelegd wordt dat

de pijn binnen een uur grotendeels voorbij

is en dat dit bij eventuele benauwdheidsklachten

normaal gesproken nog

eerder het geval zal zijn.

In iedere surveillanceauto dienen de

speciale nazorgmiddelen aanwezig te

zijn. Zodra de situatie dit toelaat worden,

indien de betrokken persoon dit

wenst, ter verlichting van de effecten het

gezicht en de ogen van de betrokken

persoon behandeld met de nazorgmiddelen.

Indien deze middelen onvoldoende

a.

b.

verlichting hebben geboden dan dienen

de getroffen huid en de ogen te worden

behandeld met koel stromend water.

Voor de behandeling van de ogen wordt

zo mogelijk gebruik gemaakt van de

oogdouches die hiervoor in een aantal

politiebureaus zijn ge

wordt op toegezien dat voor het reinigen

in geen geval gebruik wordt gemaakt

van zeep of cr

stoffen. Daarmee vindt afsluiting

plaats waardoor de pijn langer zal aanhouden.

Zodra de situatie dit toelaat

wordt degene tegen wie de pepperspray

is ingezet er op gewezen dat het ter verlichting

van de pijn verstandig is om

eventuele contactlenzen zo snel mogelijk

te verwijderen.

Ter voorkoming van benauwdheidsklachten

zorgt de betrokken politieambtenaar

er voor dat degene tegen wie de

pepperspray is ingezet voldoende frisse

lucht kan inademen. Om dezelfde reden

wordt tevens vermeden dat de ademhaling

door de houding of de wijze van

boeien van de betrokkene wordt belemmerd.

Dat betekent dat de borstkas en de

buik van de betrokkene volledig vrij

moeten blijven. In dat kader is het in

ieder geval niet toegestaan de betrokkene

op zijn buik te leggen, of door middel

van het zogenoemde hogtying te boeien.

De nazorg bij medische noodsituaties

Door een samenloop van factoren is het

in uitzonderlijke situaties mogelijk dat

degene tegen wie de pepperspray is

ingezet in een medische noodsituatie

komt te verkeren.

Het is niet mogelijk bij voorbaat te bepalen

in welke gevallen de gewone nazorg

of de nazorg voorgeschreven in noodsituaties

moet worden verleend. Om die

reden dient de politieambtenaar die het

middel heeft toegepast de reacties van

degene tegen wie de pepperspray is

ingezet nauwlettend gade te slaan.

Indien er een redelijk vermoeden bestaat

dat de betrokkene reacties vertoont die

afwijkend zijn van de hierboven

beschreven normale reacties na gebruik

van pepperspray

tegen wie de pepperspray is ingezet

mogelijk in een medische noodsituatie

komt te verkeren of dreigt te komen verkeren

 

hulp ingeschakeld. Dit geschiedt

door het via de meldkamer oproepen

van een ambulance of doordat de politieambtenaar

degene tegen wie de pepperspray

is ingezet zelf naar de dichtstbijzijnde

medische hulpverlening vervoert.

In ieder geval wordt in een dergelijke

situatie steeds voor de snelste oplossing

gekozen.

Het gebruik van de pepperspray is uitsluitend

toegestaan indien de buitengewoon

opsporingsambtenaar heeft voldaan

aan de bekwaamheidseisen als

gesteld in de RTGB.

c.

 

Uit: Staatscourant 20 januari 2006, nr. 15 / pag. 14 3

 

4.4. Vuurwapen

 

Bij de beoordeling of er sprake is van

noodzaak tot bewapening met een vuurwapen

worden, naast de hiervoor

beschreven criteria a. tot en met d. aanvullend

de volgende criteria gehanteerd:

Er moet een redelijke verwachting

bestaan dat de buitengewoon opsporingsambtenaar

bij de uitoefening van

zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheden

komt te verkeren, dat hij of

anderen met onmiddellijk schietwapengebruik

of onmiddellijke dreiging met

een schietwapen wordt geconfronteerd;

Het is, indien zich een geval als onder

1. genoemd voordoet, bezwaarlijk of

onmogelijk om een beroep te doen op de

reguliere politie;

Het is bezwaarlijk of onmogelijk om

op een andere, minder ingrijpende wijze

in de beveiliging van de betrokkene te

voorzien.

Het gebruik van het vuurwapen is uitsluitend

toegestaan indien de buitengewoon

opsporingsambtenaar heeft voldaan aan

de bekwaamheidseisen als gesteld in de

RTGB.

 

4.5. Surveillancehond

 

Het formele kader voor de toekenning

van de bevoegdheid tot gebruik van een

politiesurveillancehond wordt bepaald

door de artikelen 15 en 37, tweede lid,

van de Ambtsinstructie en de Regeling

politiesurveillancehonden 1999. Het

inzetten van een politiesurveillancehond

is slechts geoorloofd onder het direct en

voortdurend toezicht van een geleider

bij de surveillancedienst (artikel 15, eerste

lid, onder a, van de Ambtsinstructie).

De geleider dient in het bezit te zijn van

certificaat. Een keuringscommissie verstrekt

aan de geleider een certificaat op

naam van de combinatie van de geleider

en de politiesurveillancehond, indien die

combinatie onder leiding van die geleider

aan de keuringseisen heeft voldaan.

1.

2.

3.

In de Regeling politiesurveillancehonden

wordt het kader aangegeven met

betrekking tot de keuring en de keuringseisen

voor de combinatie. De

keuringseisen zijn opgenomen in het

Keuringsreglement politiesurveillancehond.

Evenals bij de toekenning van de hierboven

beschreven geweldsmiddelen is ook

de toekenning van de bevoegdheid om

een politiesurveillancehond in te zetten

in sterke mate afhankelijk van de in redelijkheid

te verwachten kans dat de

buitengewoon opsporingsambtenaar bij

de vervulling van zijn functie met

geweld of de dreiging met geweld wordt

geconfronteerd.

 

4.6 Het gebruik van uitrustingsstukken

 

Op het moment dat er wijzigingen

plaatsvinden in de uitrustingsstukken of

bewapening die door de politie worden

gebruikt, bijvoorbeeld het holster of

munitie, gelden deze wijzigingen tevens

voor de buitengewoon opsporingsambtenaren.

Op deze wijze wordt eenduidigheid

in bewapening en uitrustingsstukken

nagestreefd.

 

4.7 Het aanvragen van de toekenning

van geweldsmiddelen

 

Aanvragen voor toekenning van politiebevoegdheden

en/of geweldsmiddelen

kunnen worden ingediend bij het Ministerie

van Justitie.

Aan de toekenning van geweldsmiddelen

aan buitengewoon opsporingsambtenaren

kunnen nadere voorwaarden

worden verbonden. Zo kan ervoor gekozen

worden om, bij wijze van proef,

voor een kortere periode bepaalde

geweldsmiddelen toe te kennen of kan

een aanvullende opleidingseis worden

gesteld.

 

5. Bekwaamheidseisen

 

In de Regeling toetsing geweldbeheersing

buitengewoon opsporingsambtenaar

(RTGB) worden regels gesteld

inzake de toetsing van ambtenaren van

buitengewoon opsporingsambtenaren ter

zake van geweldsbeheersing, aanhoudings-

en zelfverdedigingsvaardigheden

en de schietvaardigheid. Deze regeling

is op 1 oktober 2003 in werking getreden

en laatstelijk gewijzigd per 1 januari

2005.

In artikel 4, sub b, van de Ambtsinstructie

wordt bepaald dat het gebruik van

een geweldsmiddel slechts is toegestaan

door een ambtenaar die in het gebruik

van dat geweldsmiddel is geoefend.

Voorts wordt in artikel 5 van de Regeling

wapens en munitie bepaald dat de

buitengewoon opsporingsambtenaar

slechts met een wapen kan worden uitgerust

indien de noodzaak van het dragen

van dat wapen aannemelijk wordt

gemaakt en de bekwaamheid van de

buitengewoon opsporingsambtenaar met

het wapen is aangetoond. De RTGB is

te zien als een uitwerking van deze

regels.

Essentie van de RTGB is, dat alle buitengewoon

opsporingsambtenaren die

 

éé

ofwel politiebevoegdheden en

of meer geweldsmiddelen, dienen te

voldoen aan de bekwaamheidseisen als

gesteld in de RTGB. Voor inhoudelijke

uitleg van de RTGB en het toetsingsschema

wordt verwezen naar de toelichting

op deze regeling.

 

De Minister van Justitie,

namens deze:

de Directeur-Generaal

Rechtshandhaving,

J. van der Vlist.

 

Uit: Staatscourant 20 januari 2006, nr. 15 / pag. 14

info@boatrefpunt.nl