Home
Vragen & opmerkingen
BoaBaan gezocht!
Vacature
Agenda
Cursus & Opleiding
PolitieDierenMilieu
Politie
Openbaar Vervoer
Milieu
Leerplicht
Flora & Fauna
Drank & Horeca
Cameratoezicht
Boa
Beveiliging
Parkeren
Veiligheid
Boa-documenten
Boa-regelgeving
Geweldsbevoegheden
Artikel 142 WvSv
Art.3a Wwm
Besluit boa
Uniformkleding
Achtergrondinfo
Adressen
Woordenboek
Afkortingen
Contactformulier
Links
Wie zijn wij

 

Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar 
 

Historie:

Dit besluit is gewijzigd bij de Besluiten van 22 december 1997, Stb. 764, 11 mei 1999, Stb. 197, 26 september 2002, Stb.Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar
Aanhef

Besluit van 11 november 1994, houdende regels ter uitvoering van artikel 142, vierde lid, van het Wetboekvan

Strafvordering betreffende de bekwaamheid en betrouwbaarheid, beëdiging en instructie van, alsmede het
toezicht op buitengewoon opsporingsambtenaren, het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid
geldt, de beëindiging van de opsporingsbevoegdheid en enige andere onderwerpen


Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.


Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 22 april 1994, Stafafdeling Wetgeving Publiekrecht, nr.
436121/94/6;
Gelet op artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering, artikel 17, derde lid, Wet economische delicten, en
artikel 3,
hoofdstuk 2, afdeling 1, van de Invoeringswet Politiewet 1993;
De Raad van State gehoord (advies van 30 augustus 1994, nummer W03.94.0246);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 28 oktober 1994, Stafafdeling Wetgeving
Publiekrecht, nr. 461681/94/6,


Hebben goedgevonden en verstaan:


Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1


1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
b. titel van opsporingsbevoegdheid: de titel van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 3;
c. akte van opsporingsbevoegdheid: de akte van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 142, eerste lid,
onder a, van het Wetboek van Strafvordering;
d. aanwijzing: de aanwijzing, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering;
e. aanvullende opsporingsbevoegdheid: de aanvullende opsporingsbevoegdheid, bedoeld in artikel 142,
derde lid, van het Wetboek van Strafvordering;
f. de akte van beëdiging: de akte van beëdiging, bedoeld in artikel 19, eerste lid;
g. politiebevoegdheden: de bevoegdheden, bedoeld in artikel 8, eerste en derde lid, van de Politiewet 1993;
h. werkgever: de werkgever van de buitengewoon opsporingsambtenaar;
i. bewijs van bekwaamheid: een bewijs van het met goed gevolg afgelegd hebben van het door Onze Minister
goedgekeurde examen;
j. legitimatiebewijs: een bewijs als bedoeld in artikel 26 van dit besluit.
2. Als standplaats in de zin van dit besluit wordt aangemerkt:
a. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is zijn taak in meer politieregio's, dan wel in het
gehele land uit te oefenen: de gemeente van vestiging van de werkgever;
b. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is zijn taak in één politieregio uit te oefenen:
1°. de gemeente waar hij zijn hoofdwerkzaamheden verricht, dan wel
2°. een gekozen gemeente uit de gemeenten, waarin hij werkzaam is.
3. In dit besluit wordt verstaan onder het College van procureurs-generaal: het College van procureursgeneraal,
bedoeld in artikel 130 van de Wet op de rechterlijke organisatie.
4. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. toezichthouder: het lid van het openbaar ministerie, dat op grond van artikel 36 onderscheidenlijk artikel
37 als
toezichthouder is aangewezen;
b. direct toezichthouder: degene, die op grond van artikel 36 onderscheidenlijk artikel 37 als direct
toezichthouder is aangewezen.
De (direct) toezichthouder is geen toezichthouder bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet
bestuursrecht.
Artikel 2

De buitengewoon opsporingsambtenaar die beschikt over:


a. een titel van opsporingsbevoegdheid,
b. de bekwaamheid en betrouwbaarheid voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden, en
c. een akte van beëdiging, is bevoegd op het grondgebied, vermeld in die akte, de opsporingsbevoegdheden
uit te oefenen ter zake van de feiten die in die akte zijn vermeld en daarvan ambtsedig proces-verbaal op te
maken als bedoeld in artikel 152 Wetboek van Strafvordering.
Artikel 3

De titel van opsporingsbevoegdheid is de rechtsgrond die de bevoegdheid tot opsporen bepaalt van de
buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a, b of c, dan wel artikel 142,
derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De titel, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a en b, en de
aanvullende bevoegdheid op grond van artikel 142, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden
overeenkomstig dit hoofdstuk verleend.

Artikel 4

1. Een akte van opsporingsbevoegdheid wordt verleend, een aanwijzing wordt gedaan, dan wel een
aanvullende
opsporingsbevoegdheid wordt toegekend, indien die opsporingsbevoegdheid noodzakelijk is voor de
uitoefening van de functie van de desbetreffende persoon of de dienst waarbij hij werkzaam is, en een
beroep op de politie voor het uitoefenen van opsporingsbevoegdheden bezwaarlijk, niet mogelijk of niet
wenselijk is.
2. Een akte van opsporingsbevoegdheid en de aanvullende opsporingsbevoegdheid gelden voor de duur van
maximaal vijf jaren met ingang van de dag waarop de akte van beëdiging is uitgereikt. De geldigheidsduur
kan telkens met maximaal vijf jaren worden verlengd.
3. De aanwijzing en de categoriaal verleende aanvullende opsporingsbevoegdheid gelden voor de duur van
maximaal vijf jaren met ingang van de datum van inwerkingtreding van de beschikking. De geldigheidsduur
kan telkens met maximaal vijf jaren worden verlengd.
Artikel 5

Een aanvraag tot het verlenen van een akte van opsporingsbevoegdheid, het doen van een aanwijzing, dan
wel het toekennen van aanvullende opsporingsbevoegdheid bevat in ieder geval de volgende gegevens:

a. een aanduiding van de feiten waarvoor opsporingsbevoegdheid wordt aangevraagd;
b. een aanduiding van het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid moet gelden.
Artikel 6

1.
Een aanvraag tot verlenging of wijziging van een akte van opsporingsbevoegdheid, de aanwijzing en de
aanvullende opsporingsbevoegdheid wordt uiterlijk 4 maanden voor het verlopen van de
geldigheidsduur ingediend.
2. Onze Minister verlengt of wijzigt de akte van opsporingsbevoegdheid, de aanwijzing en de aanvullende
opsporingsbevoegdheid.
3. Indien Onze Minister bij beschikking de aanwijzing of de aanvullende opsporingsbevoegdheid heeft
gewijzigd, worden de akten van beëdiging van de betrokken buitengewoon opsporingsambtenaren zo
spoedig mogelijk aangepast. Tot het tijdstip waarop de aanpassing heeft plaatsgevonden, wordt de akte van
beëdiging geacht te zijn gebaseerd op de nieuwe beschikking.
Artikel 7

Op elke aanvraag ingevolge dit hoofdstuk wordt zo spoedig mogelijk, in elk geval binnen 4 maanden na
ontvangst van de aanvraag, beslist.

Artikel 8

1. Een akte van opsporingsbevoegdheid, de aanwijzing en de aanvullende opsporingsbevoegdheid worden
ingetrokken op aanvraag van de werkgever of indien de noodzaak, bedoeld in artikel 4, eerste lid, niet meer
aanwezig is.
2. De intrekking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt door degene die de akte van opsporingsbevoegdheid of
de
aanvullende opsporingsbevoegdheid heeft verleend, dan wel de aanwijzing heeft gedaan.
Artikel 9

1. De werkgever dient een aanvraag tot het verlenen van de akte van opsporingsbevoegdheid in bij Onze
Minister.
2. Onze Minister raadpleegt in ieder geval bij de aanvraag voor een categorie of eenheid het College van

procureurs-generaal en Onze Ministers wie het mede aangaat.

3. De aanvraag bevat, naast de in artikel 5 genoemde gegevens, de volgende gegevens:
a. naam, voornamen, woonplaats alsmede geboortedatum en -plaats van de persoon, ten behoeve van wie
de aanvraag tot buitengewoon opsporingsambtenaar wordt gedaan;
b. een omschrijving van diens functie en standplaats.
4. Bij de aanvraag wordt een bewijs van bekwaamheid van de desbetreffende persoon gevoegd. Indien de
aanvraag betrekking heeft op de verlenging of wijziging van de akte van opsporingsbevoegdheid wordt een
bewijs van beëdiging bijgevoegd.
Artikel 10

Onze Minister verleent de akte van opsporingsbevoegdheid, waarin staan vermeld het grondgebied en de
strafbare feiten waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt.

2. De procedure voor het verkrijgen van de akte van opsporingsbevoegdheid
Artikel 11

1. De hoofdofficier van justitie kan een aanvraag indienen tot het verlenen van de akte van
opsporingsbevoegdheid aan een of meer personen, voor de duur van een onderzoek dat wordt uitgevoerd
onder leiding van een officier van justitie die tot zijn arrondissementsparket behoort.
2. Onze Minister beslist op de aanvraag en doet een afschrift van zijn beschikking toekomen aan de direct
toezichthouder.
3. Onze Minister kan een ontheffing als bedoeld in artikel 16, tweede lid, verlenen indien de te benoemen
personen over voldoende bekwaamheid beschikt.
4. Bij het verlenen van de akte van opsporingsbevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, kan de aanwijzing van
de
toezichthouder en de direct toezichthouder achterwege blijven. In dat geval is het gestelde in hoofdstuk 6,
met
uitzondering van artikel 35 niet van toepassing op de desbetreffende buitengewoon opsporingsambtenaar.
§ 3. De procedure voor het verkrijgen van een aanwijzing
Artikel 12

1. De werkgever dient een aanvraag tot aanwijzing van categorieën of eenheden als bedoeld in artikel 142,
eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafvordering in bij Onze Minister.
2. De aanvraag bevat, naast de in artikel 5 genoemde gegevens, de volgende gegevens:
a. een omschrijving van de categorie of eenheid binnen de organisatie en van de functies, waarvan de
opsporingsbevoegdheid deel moet uitmaken, en
b. een opgave van het hoogste aantal personen dat in die functies moet kunnen worden aangesteld.
3. Het bepaalde in artikel 9, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 3. De procedure voor het verkrijgen van een aanwijzing
Artikel 13

In de beschikking wordt het hoogste aantal personen vermeld dat op grond van de aanwijzing beëdigd kan
worden als buitengewoon opsporingsambtenaar. Een afschrift van de beschikking wordt aan het College
van procureurs-generaal gezonden.

4. De procedure voor het verkrijgen van de aanvullende opsporingsbevoegdheid
Artikel 14
1. De werkgever dient een aanvraag voor een aanvullende opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 142,
derde lid, van het Wetboek van Strafvordering in bij Onze Minister.
2. De aanvraag ten behoeve van de categorie of eenheid bevat, naast de in artikel 5 genoemde gegevens, de
volgende gegevens:
a. een omschrijving van de categorie of eenheid binnen de organisatie en van de functies, waarvan de
opsporingsbevoegdheid deel moet uitmaken, en
b. een opgave van het hoogste aantal personen dat in die functies moet kunnen worden aangesteld.
3. Het bepaalde in artikel 9, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 4. De procedure voor het verkrijgen van de aanvullende opsporingsbevoegdheid
Artikel 15

Indien Onze Minister ingevolge artikel 14 heeft beslist tot aanvulling van de opsporingsbevoegdheid, past hij
tevens zo spoedig mogelijk de akten van beëdiging van de betrokken buitengewoon opsporingsambtenaren
aan.


Hoofdstuk 3. De bekwaamheid en de betrouwbaarheid
Artikel 16

1. Een persoon beschikt over de bekwaamheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden, indien hij
de daarvoor vastgestelde basiskennis en vaardigheden bezit. De bekwaamheid blijkt uit het met goed gevolg
hebben afgelegd van een examen waarmee Onze Minister heeft ingestemd.
2. Van het met goed gevolg afleggen van het in het eerste lid genoemde examen kan ontheffing worden
verleend, indien de bekwaamheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden op andere wijze blijkt.
Bij het verlenen van een ontheffing kunnen aanwijzingen en voorschriften worden gegeven met het oog op
het waarborgen van een adequaat niveau van bekwaamheid voor de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden.
Hoofdstuk 3. De bekwaamheid en de betrouwbaarheid
Artikel 17

1. Een persoon beschikt over de betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden, indien
hij van onbesproken gedrag is.
2. Onze Minister beslist of een persoon betrouwbaar is voor de uitoefening van de
opsporingsbevoegdheden.
Hoofdstuk 4. De beëdiging
Artikel 18

1. Onze Minister beëdigt de persoon, bedoeld in artikel 2, tot buitengewoon opsporingsambtenaar.
2. De werkgever dient een aanvraag tot beëdiging van een buitengewoon opsporingsambtenaar in bij Onze
Minister en overlegt daarbij een bewijs van de titel van opsporingsbevoegdheid en een bewijs van
bekwaamheid van de te beëdigen persoon.
3. De aanvraag, bedoeld in artikel 9, eerste lid, wordt tevens geacht te zijn een aanvraag tot beëdiging.
4. De beëdiging vindt plaats voor de opsporing van de feiten waartoe een persoon ingevolge de titel van
opsporingsbevoegdheid bevoegd is, op het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt.
5. Indien gebleken is dat de in het eerste lid bedoelde persoon voldoet aan de voorwaarden voor beëdiging
wordt hij binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag beëdigd.
Hoofdstuk 4. De beëdiging
Artikel 19

1. Onze Minister maakt ten behoeve van de beëdiging een akte van beëdiging op. Daarbij wordt gebruik
gemaakt van een door Onze Minister vastgesteld model.
2. In de akte van beëdiging zijn in elk geval opgenomen de feiten tot de opsporing waarvan de
desbetreffende persoon beëdigd is en het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt. Als
grondgebied wordt bepaald het gebied waarop de desbetreffende persoon zijn functie uitoefent in verband
waarmee hij tot buitengewoon opsporingsambtenaar wordt beëdigd.
3. Indien de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is politiebevoegdheden uit te oefenen dan wel
geweldmiddelen, als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Ambtsinstructie voor de politie en de
Koninklijke
marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar, te gebruiken, wordt daarvan aantekening
gemaakt op de akte.
Hoofdstuk 4. De beëdiging
Artikel 20

1.
Onze Minister neemt van de te beëdigen persoon de eed, verklaring of belofte van zuivering en een
ambtseed of ambtsbelofte, vastgelegd in bijlage A, af. Het proces-verbaal van de aflegging van de eden,
verklaring en beloften wordt aan de akte van beëdiging toegevoegd en maakt vanaf dat moment
daarvan deel uit.
2. Bij de bekendmaking of de beëdiging ontvangt de buitengewoon opsporingsambtenaar, de akte van
beëdiging, het legitimatiebewijs, de tekst van hoofdstuk 5 en, voorzover op hem van toepassing, een afschrift
van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon
opsporingsambtenaar.
3. Onze Minister zendt een afschrift van de akte van beëdiging aan de toezichthouder en de direct
toezichthouder.
Hoofdstuk 4. De beëdiging
Artikel 21


1. Onze Minister kan van de bevoegdheid tot het afleggen van de eden, verklaringen en beloften, bedoeld in
artikel 20, eerste lid, mandaat verlenen aan de direct toezichthouder dan wel, indien de desbetreffende
persoon behoort tot een dienst ressorterend onder een van Onze Ministers die het mede aangaat, aan het
hoofd van die dienst. Onze Minister zendt in dat geval de door hem opgemaakte akte van beëdiging van te
voren toe aan de direct toezichthouder of aan het hoofd van de dienst.
2. De direct toezichthouder dan wel het hoofd van dienst in wiens handen de aflegging van de eden,
verklaringen en beloften heeft plaatsgevonden, maakt van de aflegging proces-verbaal op en voegt dat toe
aan de akte van beëdiging. Bij de beëdiging ontvangt de buitengewoon opsporingsambtenaarde in artikel 20,
tweede lid, bedoelde stukken en wordt daarvan mededeling gedaan aan Onze Minister.
Hoofdstuk 4. De beëdiging
Artikel 22

1. Bij wijziging van de titel van opsporingsbevoegdheid, de opsomming van de feiten tot welke opsporing de
buitengewoon opsporingsambtenaar ingevolge zijn titel bevoegd is, de standplaats dan wel het grondgebied
waarvoor de opsporing geldt, behoeven de eden, verklaringen en beloften niet opnieuw te worden afgelegd
indien de akte van beëdiging overeenkomstig artikel 23 is aangepast.
2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, worden de afgelegde eden, verklaringen of beloften geacht te zijn
afgelegd voor de opsporing van de feiten op het grondgebied genoemd in de gewijzigde akte van beëdiging.
Hoofdstuk 4. De beëdiging
Artikel 23

1. Een aanvraag tot wijziging van de akte van beëdiging wordt ingediend bij Onze Minister. Bij deze
aanvraag wordt de akte overgelegd.
2. Onze Minister past de akte van beëdiging aan indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van:
a. de titel van opsporingsbevoegdheid dan wel de opsomming van de feiten tot welke opsporing de
buitengewoon opsporingsambtenaar ingevolge die titel bevoegd is, overeenkomstig de bij of krachtens de
wet gewijzigde titel dan wel opsomming;
b. de standplaats;
c. het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, indien hem van de noodzaak daartoe is
gebleken.
Hoofdstuk 4. De beëdiging
Artikel 24

1. De eed vervalt zodra de opsporingsbevoegdheid is vervallen.
2. Na het vervallen van de eed zendt de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn akte van beëdiging en zijn
legitimatiebewijs aan Onze Minister.
Hoofdstuk 5. De instructie
Artikel 25

1. De buitengewoon opsporingsambtenaar beperkt de opsporingshandelingen waartoe hij bevoegd is, tot
hetgeen nodig is voor een juiste vervulling van de functie in verband waarmee hij tot buitengewoon
opsporingsambtenaar is beëdigd. Hij onthoudt zich van elk optreden waartoe hij niet bevoegd is.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar gedraagt zich bij de uitoefening van zijn
opsporingsbevoegdheden
overeenkomstig de bij of krachtens de wet gegeven regels.
3. Indien hij bevoegd is politiebevoegdheden uit te oefenen, gedraagt hij zich overeenkomstig artikel 8,
eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Politiewet 1993 en de op hem van toepassing zijnde bepalingen uit
de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
Hoofdstuk 5. De instructie
Artikel 26

1. Bij het uitoefenen van zijn taak draagt de buitengewoon opsporingsambtenaar een legitimatiebewijs bij
zich, waarvan het model door Onze Minister is vastgesteld.
2. Onze Minister kan personen of categorieën aanwijzen die bevoegd zijn een legitimatiebewijs te dragen
dat afwijkt van het model, bedoeld in het eerste lid.
3. Onverminderd artikel 1, eerste en tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden toont de
buitengewoon opsporingsambtenaar zijn legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
Hoofdstuk 5. De instructie
Artikel 27


In het proces-verbaal van opsporingshandelingen of in enige andere schriftelijke verslaglegging van de
uitoefening van bevoegdheden vermeldt de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn standplaats en het
nummer van zijn akte van beëdiging.

Hoofdstuk 5. De instructie
Artikel 28

De buitengewoon opsporingsambtenaar volgt bij de opsporing de door of namens het bevoegde gezag,
bedoeld in artikel 148 van het Wetboek van Strafvordering, gegeven aanwijzingen op, tenzij artikel 80, vierde
lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen of artikel 203 van de Wet inzake de douane van toepassing
is. Hij verstrekt het bevoegd gezag de gewenste inlichtingen.

Hoofdstuk 5. De instructie
Artikel 29

1. De buitengewoon opsporingsambtenaar volgt bij het uitoefenen van de politiebevoegdheden de door of
namens de meerdere, bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke
marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar, gegeven aanwijzingen op.
2. Hij verstrekt de meerdere, bedoeld in het eerste lid, de gewenste inlichtingen.
Hoofdstuk 5. De instructie
Artikel 30
1. De buitengewoon opsporingsambtenaar volgt de aanwijzingen van de toezichthouder en de direct
toezichthouder op die met het oog op een goede samenwerking met de politie zijn gegeven, tenzij bij of
krachtens wet anders is bepaald.
2. Hij verstrekt hen de gewenste inlichtingen en stelt hen terstond op de hoogte van een voorgenomen
wijziging van zijn standplaats, zijn functie en zijn werkgever.
Hoofdstuk 5. De instructie
Artikel 31

1. De buitengewoon opsporingsambtenaar zorgt ervoor dat hij blijft beschikken over de bekwaamheid en de
betrouwbaarheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden. Hij werkt mee aan de regelmatige
toetsing van de bekwaamheid.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar woont de door de direct toezichthouder aangewezen
bijeenkomsten bij, waarin onderricht wordt gegeven in zaken welke verband houden met de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden.
3. Indien de uitoefening van politiebevoegdheden mede het gebruik van bepaalde geweldmiddelen, als
bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de
buitengewoon
opsporingsambtenaar, omvat, oefent de buitengewoon opsporingsambtenaar met die middelen.
Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 1. Algemeen
Artikel 32

1. Onze Minister is belast met het toezicht op de buitengewoon opsporingsambtenaar voor wat betreft diens
titel van opsporingsbevoegdheid en diens bekwaamheid en betrouwbaarheid voor de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden.
2. Iedere vijf jaar dan wel op het daartoe op de akte van beëdiging vermelde tijdstip, stelt Onze Minister vast
of de titel van opsporingsbevoegdheid en de bekwaamheid en de betrouwbaarheid voor de uitoefening van
opsporingsbevoegdheden nog aanwezig zijn, alsmede of het dienstverband of de functie van de
buitengewoon
opsporingsambtenaar ongewijzigd is gebleven en het opsporen van strafbare feiten nog steeds onderdeel
uitmaakt van diens functie.
3. Onze Minister kan daartoe inlichtingen vragen aan het College van procureurs-generaal en andere
betrokkenen.
Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 1. Algemeen
Artikel 33

1. Ter vaststelling van de bekwaamheid voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden legt de werkgever
binnen vier weken op een daartoe strekkend verzoek van Onze Minister, de bewijzen van de bekwaamheid
van buitengewoon opsporingsambtenaar over. Onze Minister kan uitstel verlenen van de genoemde termijn.
2. Indien binnen de gestelde termijn geen bewijzen van de bekwaamheid van de betrokkenen zijn
overgelegd, wordt die bekwaamheid geacht niet meer aanwezig te zijn.

Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 1. Algemeen
Artikel 34

1. Indien is vastgesteld dat een titel van opsporingsbevoegdheid, de betrouwbaarheid en de bekwaamheid
nog steeds aanwezig zijn, wordt hiervan aantekening gemaakt op de akte van beëdiging. Tevens wordt een
nieuwe datum voor de periodieke toetsing op de akte van beëdiging vermeld.
2. De beschikking waarbij wordt vastgesteld dat een geldige titel van opsporing ontbreekt, wordt
bekendgemaakt aan de buitengewoon opsporingsambtenaar, diens werkgever, de toezichthouder en de
direct toezichthouder.
Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 1. Algemeen
Artikel 35

1. De opsporingsbevoegdheid vervalt met ingang van de dag na de datum waarop
a. de titel van opsporingsbevoegdheid vervalt of wijzigt, tenzij de akte van beëdiging is gewijzigd als bedoeld
in artikel 23, tweede lid, onder a;
b. is vastgesteld dat de bekwaamheid of betrouwbaarheid voor de uitvoering van opsporingsbevoegdheden
niet meer aanwezig is;
c. is vastgesteld dat het dienstverband met de werkgever is beëindigd, dan wel dat de opsporing van
strafbare feiten geen onderdeel meer uitmaakt van de functie van de desbetreffende persoon;
d. door Onze Minister de opsporingsbevoegdheid van de desbetreffende persoon is beëindigd.
2. Onze Minister kan de opsporingsbevoegdheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar beëindigen
a. op een daartoe strekkende aanvraag van de werkgever of van de desbetreffende buitengewoon
opsporingsambtenaar;
b. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar misbruik maakt van zijn bevoegdheden;
c. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar de aanwijzingen van het bevoegd gezag, de toezichthouder
en de direct toezichthouder niet nakomt;
d. indien de buitengewoon opsporingsambtenaar heeft gehandeld in strijd met enige andere bepaling bij of
krachtens dit besluit of voor zover op hem van toepassing, de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke
marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar.
3. Onze Minister kan de opsporingsbevoegdheid van een buitengewoon opsporingsambtenaar opschorten
voor de duur van het onderzoek naar de in het tweede lid, onder b tot en met d, genoemde handelingen.
Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 2. De toezichthouder en direct toezichthouder
Artikel 36

1. De aanwijzing van de toezichthouder en de direct toezichthouder vindt plaats ter gelegenheid van de
verlening van een titel van opsporingsbevoegdheid of de beëdiging.
2. Indien het grondgebied, bedoeld in artikel 5, onder b, is gelegen binnen de grenzen van een politieregio,
is de
hoofdofficier van justitie, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Politiewet 1993, de toezichthouder van de
buitengewoon opsporingsambtenaar. De korpschef, bedoeld in artikel 24 van de Politiewet 1993, is in dat
geval de direct toezichthouder van de buitengewoon opsporingsambtenaar.
3. Indien het grondgebied waarvoor de opsporingsbevoegdheid geldt, is gelegen in meer dan één
politieregio, wijst Onze Minister, na advies te hebben ingewonnen van het College van procureurs-generaal,
een hoofdofficier van justitie als toezichthouder en een korpschef als direct toezichthouder aan.
Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 2. De toezichthouder en direct toezichthouder
Artikel 37

1. Indien de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd is in het gehele land op te sporen dan wel zijn
titel van
opsporingsbevoegdheid ontleent aan een beschikking als bedoeld in de artikelen 11 en 13, wijst Onze
Minister een lid van het openbaar ministerie als toezichthouder aan. Onze Minister kan de korpschef van
een regionaal politiekorps of de korpschef van het Korps landelijke politiediensten als direct toezichthouder
aanwijzen.
2. Indien de buitengewoon opsporingsambtenaar werkzaam is bij de krijgsmacht dan wel bij de
Belastingdienst, wordt de commandant van de Koninklijke marechaussee, bedoeld in artikel 6, derde lid, van
de Politiewet 1993 respectievelijk het bestuur van 's Rijks belastingen, bedoeld in artikel 80 van de Algemene
wet inzake rijksbelastingen en artikel 203 van de Wet inzake de douane, als direct toezichthouder
aangewezen.

Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 2. De toezichthouder en direct toezichthouder
Artikel 38

De toezichthouder ziet er op toe dat de buitengewoon opsporingsambtenaar zijn taak bij de opsporing naar
behoren vervult en de opsporingsbevoegdheden alsmede de politiebevoegdheden op juiste wijze uitoefent.
Hij ziet eveneens toe op een goede samenwerking met de politie.

Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 2. De toezichthouder en direct toezichthouder
Artikel 39

1. De direct toezichthouder ziet toe dat de buitengewoon opsporingsambtenaar het gestelde in hoofdstuk 5
naleeft. Hij oefent tevens het dagelijks toezicht uit op de juiste uitoefening van bevoegdheden en een goede
samenwerking met de politie.
2. De direct toezichthouder ziet toe dat de werkgever zorg draagt voor het onderricht aan de buitengewoon
opsporingsambtenaar, tenzij in de voorschriften, bedoeld in artikel 16, tweede lid, een ander persoon
daarvoor is
aangewezen.
3. De direct toezichthouder verstrekt de toezichthouder de gewenste inlichtingen en doet ook ongevraagd
mededeling van hetgeen voor het uitoefenen van het toezicht van belang kan zijn.
Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 2. De toezichthouder en direct toezichthouder
Artikel 40

1. De toezichthouder en de direct toezichthouder plegen regelmatig overleg over het functioneren van de
buitengewoon opsporingsambtenaren. Zij kunnen daarbij de werkgever uitnodigen.
2. Zij kunnen het bevoegd gezag, de meerdere of andere betrokkenen raadplegen over de uitoefening van
bevoegdheden van buitengewoon opsporingsambtenaren.
3. Zij verschaffen Onze Minister en het College van procureurs-generaal de gewenste informatie over de
buitengewoon opsporingsambtenaren.
Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 3. De werkgever
Artikel 41

1. De werkgever verschaft de toezichthouder en de direct toezichthouder alle door hen gewenste informatie
met
betrekking tot de in zijn dienst werkzame buitengewoon opsporingsambtenaren.
2. Onze Minister kan bepalen dat de werkgever, aan wie hij ingevolge artikel 142, eerste lid, onder b, en
derde lid, van het Wetboek van Strafvordering een categoriale beschikking heeft verleend, een jaarverslag
dan wel op andere door hem te bepalen wijze informatie aan hem doet toekomen.
Hoofdstuk 6. Het toezicht
§ 3. De werkgever
Artikel 42

1. De werkgever zendt terstond een afschrift van een klacht over het optreden van een buitengewoon
opsporingsambtenaar betreffende de uitoefening van diens bevoegdheden als buitengewoon
opsporingsambtenaar aan de toezichthouder en de direct toezichthouder.
2. Bij de afhandeling van de klacht neemt de werkgever het oordeel van de toezichthouder over de
rechtmatigheid en behoorlijkheid van de uitoefening van die bevoegdheden in acht.
Hoofdstuk 7. Registratie
Artikel 43

1. Onze Minister houdt een registratie bij van de buitengewoon opsporingsambtenaren die door hem zijn
beëdigd. Hij registreert de gegevens die staan vermeld op de akte van beëdiging alsmede alle wijzigingen die
in de akte van beëdiging zijn aangebracht.
2. Onze Minister bewaart de bescheiden die betrekking hebben op de buitengewoon opsporingsambtenaren.
3. Onze Minister verschaft desgewenst informatie over de buitengewoon opsporingsambtenaren aan het
College van procureurs-generaal.
Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikelen 44-47


[Deze artikelen zijn vervallen.]

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 48
Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na datum van uitgifte van het Staatsblad waarin

het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 april 1994.

Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 49
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.
Ondertekening
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden


geplaatst.
's-Gravenhage, 11 november 1994
Beatrix
De Minister van Justitie,


W. Sorgdrager
Uitgegeven de zesde december 1994
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager

Bijlage A bedoeld in artikel 19, eerste lid

Bij aanvaarding van de aanwijzing tot buitengewoon opsporingsambtenaar legt de desbetreffende persoon
de
navolgende eden (verklaringen en beloften) af:

1. De eed (verklaring en belofte) van zuivering:
"Ik zweer (verklaar), dat ik middelijk of onmiddellijk onder welke vorm of voorwendsel ook, tot het
verkrijgen van mijn aanstelling of beëdiging tot buitengewoon opsporingsambtenaar aan niemand, wie hij
ook zij, iets heb gegeven of beloofd, of zal geven of beloven.
Ik zweer (beloof), dat ik, om iets hoegenaamd in mijn functie als buitengewoon opsporingsambtenaar te
doen of te laten van niemand hoegenaamd, middelijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal
aannemen.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat verklaar en beloof ik)!". .
2. De ambtseed of ambtsbelofte:
"Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning, aan de Grondwet en de wetten des Rijks.
Ik zweer (beloof), dat ik, voor zover in mijn vermogen ligt en tot mijn taak als buitengewoon
opsporingsambtenaar behoort, zal toezien op de naleving van wetten, krachtens de wet uitgevaardigde
voorschriften en verordeningen, mijn verdere plichten als buitengewoon opsporingsambtenaar naar mijn
beste weten, eer en geweten zonder aanzien des persoons zal vervullen, de mij als buitengewoon
opsporingsambtenaar verstrekte opdrachten zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn functie
kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd, of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet
begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens wet of uit hoofde van mijn
functie als buitengewoon opsporingsambtenaar tot mededeling verplicht ben.
Zo waarlijk helpe mij God almachtig (Dat beloof ik)!". .

Bijlage B bedoeld in artikel 44, eerste lid

Diploma NPA;
Politiediploma A of B;
Diploma Herziene primaire opleiding;
Diploma surveillant van politie;
Diploma Koninklijke Marechaussee;
Diploma reservepolitie;


Diploma onbezoldigde opsporingsambtenaren van politie van de Politieopleidingsinstituten (LSOP);
Diploma onbezoldigd ambtenaar van gemeentepolitie van de Gemeentepolitie Amsterdam, Rotterdam, 's-
Gravenhage, Utrecht of Arnhem;
Diploma onbezoldigd ambtenaar van Rijkspolitie, district 's-Gravenhage;
Diploma onbezoldigd ambtenaar van politie, Stichting Politie vormingscentrum te Vaassen (gem. Epe);
Diploma Nederlands Instituut voor Opleiding van Opsporingsambtenaren te Tienhoven (gem. Maarssen);
Diploma politiestudiecentrum Amsterdam;
Diploma onbezoldigde opsporingsambtenaren, instituut Minerva te Naarden;
Diploma Stichting docentenkollektief Zuid-Holland;


Diploma opsporingsfunctionaris sociale zekerheid, Stichting opleiding sociale verzekering;
Het bewijs van het gevolgd hebben van een van de navolgende opleidingen van de Stichting Opleiding
Sociale
Verzekering:
cursus Centrale Opleiding Opsporingsfunctionarissen SV, de DIVOSA-opleiding sociaal rechercheur en
bijzonder
controleur en de cursus Centrale opleiding opsporing sociale zekerheidsfraude;


Diploma HAMIL of OBD van de Bestuursacademies;
Diploma milieuopleiding van het Centraal Instituut Vorming en Opleiding Bestuursdienst;
Diploma opleidingscentrum Algemene Inspectiedienst Ministerie van LNV;
Het bewijs van het gevolgd hebben van de opleiding milieudelicten ten behoeve van inspectiejuristen en
coördinatoren van de Nederlandse Politieacademie;
Diploma handhaving milieuwetgeving van Nieuw Rollecate of de Rijkshogeschool te Deventer;
Diploma vierjarige dagopleiding milieukunde met bijvak handhaving milieuwetgeving;


Het bewijs van het gevolgd hebben van de basisopleiding ambtenaar Algemene Inspectiedienst en
onbezoldigd
ambtenaar Algemene Inspectiedienst;
Diploma Scheepvaartmeester A en B;
Het bewijs van het gevolgd hebben van de cursus onbezoldigd opsporingsambtenaar van gemeentepolitie
van het
havenbedrijf Rotterdam;
Diploma opsporingsambtenaar Wet verontreiniging oppervlaktewater;
Diploma opleiding opsporingsfunctionaris Dienst Omroepbijdragen;
Het bewijs van het gevolgd hebben van de basisopleiding Marine beveiligingskorps;
Diploma Agent spoorwegpolitie;
Het bewijs van het gevolgd hebben van de opleiding keurmeester van de Keuringsdienst van Waren;
Diploma Nederlandse vereniging van jachtopzichters;
Vakbekwaamheidsdiploma van de opleiding personeel openbare reinigingsbedrijven.

info@boatrefpunt.nl